Home 
onze honden 
de Blauwe Lotus 
fotoalbum 
jachttraining 
karakter 
in memoriam 
gastenboek 
sitemap 
contact 
     
 

Kluif & Co bezorgt alles voor uw dieren.

 

JACHTTRAINING

 

 

Een Flatcoated Retriever is enorm geschikt voor de jachttraining. Hij is immers gemaakt voor de jacht. Zeker zo fijn is dat de meeste Flatcoats de training ook erg leuk vinden.

 
 

Over de jacht en jachttraining is veel te vertellen. Hieronder vindt u informatie wat de jachttraining inhoudt.
Een belangrijke basis voor uw hond en u. Meer weten? Onderaan deze pagina vindt u veel tips & links

 


Wat voor jachtproeven zijn er en uitleg voor het behalen van de jachtdiploma's.

Diploma

     

C

a. Aangelijnd en los volgen

b. Uitsturen en komen op bevel

c. Houden van de aangewezen plaats

 

d. Apport te land

e. Apport uit diep water

 

B

f. Verloren apport te land

g. Markeerapport te land

h. Apport over diep water

A

i. Dirigeerproef te land

j. Apport van verre loper over breed water

Klik op een van bovenstaande onderwerpen om direct naar de proefbeschrijving te gaan.


Om een
C diploma te behalen moet de hond voor alle proeven (a) tot en met (e) tenminste een 6 hebben gekregen.
Om een
B diploma te behalen moet de hond voor alle proeven (a) tot en met (h) tenminste een 6 hebben gekregen.
Om een
A diploma te behalen moet de hond voor alle proeven (a) tot en met (j) tenminste een 6 hebben gekregen.
Om de proef (i) te mogen afleggen moet de hond voor de apporteerproeven (d) tot en met (h) tenminste een 7
gemiddeld hebben behaald en tenminste 18 maanden oud zijn. Om proef (j) te mogen afleggen moet de hond
voor proef (i) tenminste een 6 hebben gekregen.


A Proef a. / Aangelijnd en los volgen
De hond moet zijn voorjager over een traject van ongeveer 40 meter volgen. Eerst aangelijnd en vervolgens onaangelijnd.
Dit traject zal zodanig in het terrein worden uitgezet, dat de voorjager tenminste een bocht met zijn hond aan de binnenkant
en tenminste een bocht met zijn hond aan de buitenkant moet maken.

B Proef b. / Uitsturen en komen op bevel
De hond moet zonder halsband of lijn, vrij worden uitgezonden en van een afstand van ongeveer 30 meter op bevel naar zijn voorjager komen. De voorjager moet dit bevel geven onmiddellijk nadat de keurmeester hem dit opdraagt.

C Proef c. / Houden van de aangewezen plaats
De hond moet zonder halsband of lijn en zonder dat enig voorwerp bij de hond is achtergelaten, de hem aangewezen plaats houden tot zijn voorjager hem weer ophaalt. De voorjager dient 2 volle minuten buiten het gezichtsveld van de hond te verblijven. De keurmeester dient er op toe te zien dat de hond niet door verwaaiing of inrichting van de proef kan weten dat zijn voorjager in zijn directe omgeving verblijft.

 

 
 
 

D Proef d. / Apport te land

 

   

De hond moet zonder halsband of lijn, een in overzichtelijk terrein, weggeworpen wild konijn apporteren. De voorjager mag tijdens de uitvoering van de proef de hem aangewezen plaats niet verlaten. De hond moet het konijn binnen handbereik van de voorjager brengen. De werper dient het konijn zo ver mogelijk van zich weg te werpen, doch op een zodanige plaats dat het konijn op ongeveer 25 meter van de hond terechtkomt.
De valplaats dient zodanig te worden gekozen dat de hond vanaf de positie bij de voorjager het konijn kan zien liggen. De hond mag in opdracht van de keurmeester, na een seconde, nadat het konijn gevallen is worden uitgestuurd om te apporteren.

E Proef e. / Apport uit diep water
De hond moet zonder halsband of lijn, een in overzichtelijk, diep water geworpen wilde eend apporteren. De eend moet op een zodanige plaats in het water worden geworpen, dat de hond om de eend te bereiken, moet zwemmen. De valplaats dient zodanig te worden gekozen, dat de hond, vanaf de positie bij de voorjager, de eend kan zien liggen.
Tijdens het werpen van de eend wordt er een schot gelost. Werper en geweer blijven gedurende de hele proef op hun plaats staan. Het schot wordt afgegeven op het moment dat de eend op het hoogste punt is. De keurmeester zal de voorjager de plaats aanwijzen waar vandaan hij zijn hond moet uitzetten en waar naar toe de hond de eend moet brengen.
Deze plaats zal zodanig worden gekozen dat zij ongeveer 3 meter, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, uit de waterkant ligt. De hond mag in opdracht van de keurmeester, na een seconde, nadat de eend gevallen is, worden uitgestuurd om te apporteren.

 

F Proef f. / Verloren apport te land
De hond moet zonder halsband of lijn, een in dichte dekking geworpen wilde eend apporten. De werper dient vanaf een plaats, waar de hond hem niet kan zien, de eend te werpen, op een zodanige plaats, dat deze op ongeveer 40 meter van de plaats waar de hond wordt ingezet terechtkomt. De valplaats moet zodanig worden gekozen, dat voorjager en hond elkaar niet kunnen zien als de hond in de omgeving van het wild werkt.
Bij voorkeur dient de proef zo te worden uitgezet, dat de wind uit een richting komt, loodrecht op die, waarin de hond moet worden uitgestuurd. Zo enigszins mogelijk dient de inrichting van de proef zodanig te zijn dat voorjager en hond elkaar niet meer kunnen zien nadat de hond, gezien in de algemene richting van de valplaats, zich meer dan 5 meter van zijn voorjager heeft verwijderd.
In geen geval mogen voorjager en hond elkaar kunnen zien als de hond binnen 10 meter van de valplaats werkt. De keurmeester zal de voorjager de plaats aanwijzen waar vandaan hij zijn hond moet inzetten en waar naar toe de hond de eend moet brengen. De voorjager mag deze plaats gedurende de gehele proef niet verlaten.

G Proef g. / Markeerrapport te land
De hond moet zonder halsband of lijn een voor hem zichtbaar weggeworpen wilde eend apporteren. De werper dient loodrecht op de richting waarin de hond uit moet gaan, de eend, met een grote boog van zich weg te werpen, op een zodanige plaats, dat deze op ongeveer 60 meter van de hond terecht komt.
De valplaats dient zodanig te worden gekozen dat de hond vanaf de positie bij de voorjager de eend kan zien liggen (bij voorkeur lage dekking). Nadat de voorjager de keurmeester te kennen heeft gegeven dat hij gereed is om de proef af te leggen, geeft de keurmeester geweer en werper een teken dat zij kunnen starten. Direct nadat door een officieel geweer, dat bij de werper staat, een schot is gelost wordt de eend geworpen.
Werper en geweer blijven gedurende de gehele proef op hun plaats staan. Bij voorkeur dient de proef zo te worden uitgezet, dat de wind uit een richting komt, loodrecht op die, waarin de hond moet uitgaan. Werpen en geweer dienen in dit geval benedenwinds van de valplaats te staan. Derhalve moet tegen de wind in geworpen worden. De voorjager mag vanaf het moment dat de hond is uitgezonden tot aan het moment dat deze de eend heeft opgenomen geen aanwijzingen of commando's geven. De keurmeester zal ongeveer 3 seconden nadat de eend is gevallen eerst toestemming geven om de hond uit te zenden. Hij doet dit door de voorjager op de schouder te tikken.

H Proef h. / Apport over diep water
De hond moet zonder halsband of lijn, een aan de overzijde van een breed, diep water weggeworpen wilde eend apporteren. Het water dient minimaal 10 meter en maximaal 40 meter breed te zijn en zo diep dat de hond, om de overkant te bereiken, moet zwemmen. De werper dient op een moment, dat de hond hem niet kan zien, de eend op een zodanige plaats te werpen, dat deze, afhankelijk van de breedte van het water en de geaardheid van het terrein minimaal 10 meter en maximaal 40 meter vanaf de kant van het water terechtkomt.
De werper treft zich terug op een zodanige plaats dat zijn aanwezigheid en zijn loopspoor op de hond zo weinig mogelijk stimuleren of belemmerend werken. De plaats waar de eend terechtkomt dient zodanig te worden gekozen dat de hond, vanaf de plaats waar hij uit het water komt, het wild niet kan zien liggen (tenminste zeer lage dekking).
Bij voorkeur dient de proef zo te worden uitgezet dat de wind uit een richting komt, loodrecht op die waarin de hond over het water moet worden gestuurd. De keurmeester zal de voorjager de plaats aanwijzen waar vandaan hij zijn hond moet inzetten en waar naar toe de hond de eend moet brengen. Deze plaats zal zodanig worden gekozen dat hij ongeveer 3 meter uit de waterkant ligt.

 

 

 

I Proef i. / Dirigeerproef te land
De hond wordt door de voorjager naar de valplaats van een stuk wild gedirigeerd. De voorjager krijgt van de keurmeester te horen op welk punt hij de hond moet afstoppen voordat hij hem/haar door mag sturen naar het wild.

J Proef j. / Apport van verre loper over breed water
De hond moet een door een helper getrokken sleepspoor uitlopen en het aan het eind achtergelaten wild apporteren en terugbrengen naar de voorjager. De afstand van de sleep ligt tussen de 150 en de 300 meter, afhankelijk van de terreinomstandigheden. Tevens moeten er twee haken van 90 graden in zijn verwerkt.

     

Jachthond worden?
Je moet een intensieve training volgen,
examens afleggen,
geen koudwatervrees hebben
en niet te veel janken:
 
jachthond word je niet zo maar
 

BOEKENTIPS

"de vroege opvoeding
van een retrieverpup
"
de drie apporten
Sam apport!

 Verzamelsites met
heel veel informatie:
Jachttraining.nl
Jacht begint hier

 

Een oogstrelend boek, niet in de laatste plaats vanwege foto's, kleur en zwart/wit, van professionals die een speciale band hebben met de Flatcoat.
Een uitgave vanwege het 30-jarige bestaan van de Flatcoated Retriever Club Nederland.

Uitgeverij BB Press 2002

 
 

 

 

 

Terug naar boven